Wat is medezeggenschap? 

De Van Dale zegt het volgende over het begrip medezeggenschap:

Me·de·zeg·gen·schap (v)

1 – recht op inspraak

In werkelijkheid is medezeggenschap meer dan het recht op inspraak: het is ook de mogelijkheid om invloed te hebben op beleid, om beleid tegen te houden en om initiatief te nemen.

Over welke rechten en plichten je precies beschikt, staat beschreven in de Wet op Hoger onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek.  Medezeggenschap bestaat in alle verschillende lagen van een instelling: op centraal niveau, facultair niveau (WO) / domeinniveau (HBO) en op opleidingsniveau. Daarnaast staat het instellingen vrij om op extra manieren medezeggenschap te organiseren.

Wat is het doel van medezeggenschap?

Het doel van medezeggenschap is het behartigen van de verschillende studentbelangen en het organiseren van kritische tegenspraak. Beleid is nooit objectief, maar komt tot stand op basis van een bepaald belang of perspectief. Medezeggenschap is er om te waarborgen dat er met zo veel mogelijk perspectieven en belangen rekening gehouden wordt. Zodat er uiteindelijk een weloverwogen besluit kan worden genomen. Medezeggenschap is dus cruciaal voor het goed functioneren van een instelling.

Geschiedenis medezeggenschap in een notendop

Voor 1969 was het HBO onderdeel van het voortgezet onderwijs. Het WO werd geregeerd door hoogleraren en de Rijksoverheid. Tussen grofweg 1966 en 1969 ontstonden er studentenprotesten wat uitmondde in de ‘democratisering’ van de universiteiten. De eisen van studenten waren: meer zeggenschap over het eigen onderwijs en toegankelijkheid van het onderwijs voor iedereen die de capaciteiten had. Op basis hiervan werd er in 1970 een nieuwe bestuursstructuur ingesteld, de WUB (Wet op de Universitaire Bestuurshervorming) . Er werd op basis van deze wet geëxperimenteerd met inspraak en zelfbestuur door studenten en personeel waarbij de universiteiten koploper waren ten opzichte van andere publieke sectoren.

Vanaf de jaren ’80 wordt door de overheid tal van bezuinigingsmaatregelen doorgevoerd onder het mom van de ‘vermarkting’ van de overheidstaken. Onder andere het systeem van studiefinanciering wordt ingevoerd en de collegegelden worden verhoogd. In de jaren ’90 resulteert dit tot drastische hervormingen in het bestuurssysteem in de vorm van de nieuwe wet de ‘MUB” (Modernisering Universitair Bestuur). Dankzij deze wet hadden studenten en docenten het niet langer voor het zeggen, maar werden er net als in het bedrijfsleven managementlagen in de universiteit toegevoegd. Inspraak wordt nu geregeld door de medezeggenschap. In 2010 wordt de Wet op Hoger onderwijs en Wetenschappelijk onderzoek (WHW) ingevoerd.

Naar aanleiding van studentenprotesten is in 2016 de Wet Versterking Besturing aangenomen. Dankzij deze wet hebben Opleidingscommissies instemmingsrechten gekregen. Daarmee zijn zij voor de wet ook een medezeggenschapsorgaan geworden. Daar horen in principe ook verkiezingen bij. Daarnaast is door deze wetswijziging gespecificeerd wat er minimaal onder ‘ondersteuning van medezeggenschap’ wordt verstaan. Dit is onder andere juridische en ambtelijke ondersteuning en scholingsbudget. De hoeveelheid van deze ondersteuning hangt af van de behoeften van de medezeggenschapsorganen.

Het is belangrijk om je te realiseren dat de WHW een kaderwet is. Dat betekent dat de rechten die voor de medezeggenschap staan beschreven het absolute minimum is. Het is aan een intselling vrij om de medezeggenschap meer rechten te geven.